Financiers zien kansen in batterijopslag, maar Nederlandse voorwaarden remmen projecten
Financiers zien batterijopslag als een snelgroeiende en geaccepteerde investeringscategorie. Toch bereiken Nederlandse projecten nog te weinig de financieringsfase. Dat blijkt uit het Financieel Marktonderzoek Energieopslag 2026 van Energy Storage NL (ESNL), gebaseerd op interviews met elf financiers en een kwantitatieve analyse. De belemmeringen zitten niet in de techniek, maar in onzekere inkomsten, hoge en onvoorspelbare netkosten en beperkte transportzekerheid. ESNL vraagt daarom om voorwaarden waarmee ontwikkelaars en financiers hun investeringen kunnen doorrekenen. Noa van der Valk, projectmanager Financiële Inpassing bij ESNL, en Arendo Schreurs, directeur van ESNL, spraken met Energeia over het marktonderzoek. Hun toelichtingen worden in dit artikel aangehaald.
Pas de nettarieven aan op de rol van energieopslag
ESNL pleit voor lagere en voorspelbare netkosten, zodat batterijprojecten zelfstandig kunnen functioneren. De organisatie vraagt om structurele randvoorwaarden, niet om subsidies. “Subsidie werkt tot die er niet meer is, je moet juist een markt creëren waar BESS zelfstandig kan opereren”, zegt Arendo Schreurs, directeur van Energy Storage NL, in een toelichting aan Energeia. Die voorspelbaarheid geeft financiers en ontwikkelaars meer houvast bij investeringsbeslissingen.
ESNL geeft de voorkeur aan een aparte categorie voor energieopslag binnen de nettarieven. Als dat niet haalbaar is, wil de organisatie opslag voor de nettarieven als producent laten behandelen. Een batterij levert immers eerder opgewekte elektriciteit uit wind en zon op een later, gewenst moment aan het net. Deze ‘uitgestelde levering’ zou dan onder het invoedingstarief moeten vallen dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) ontwikkelt voor grote elektriciteitsproducenten.
Marktonderzoek laat financiële knelpunten zien
Het onderzoek richtte zich op grootschalige batterijopslagsystemen, ook wel battery energy storage systems (BESS). ESNL combineerde interviews met elf financiers met een kwantitatieve analyse van zelfstandige batterijprojecten met een eigen netaansluiting. Financiers beschouwen de lithium-iontechniek inmiddels als bewezen. Bij hun beoordeling kijken zij vooral naar voorspelbare kasstromen, kredietwaardige contractpartijen en berekenbare transportvoorwaarden. Ook een ervaren ontwikkelaar en optimizer, de kwaliteit van contracten en toegang tot verschillende verdienmarkten wegen mee.
Financiers verwachten richting 2030 een sterke groei van batterijopslag door meer wind- en zonne-energie, elektrificatie, negatieve elektriciteitsprijzen en netcongestie. Die groei maakt projecten niet automatisch financierbaar. Inkomsten uit verschillende energiemarkten verschuiven en sommige markten raken verzadigd. Projecten kunnen daarom niet op één inkomstenbron leunen. Het combineren van inkomsten uit meerdere markten, ook wel revenue stacking, en langjarige contracten zijn volgens het onderzoek essentieel.
De meeste verdienmodellen zijn niet financierbaar
De kwantitatieve analyse vergeleek verschillende verdienmodellen. In het merchant-model exploiteert de eigenaar de batterij zelf op verschillende energiemarkten. Bij een tolling-overeenkomst betaalt een energiebedrijf een vaste vergoeding voor het gebruik van de opslagcapaciteit. ESNL onderzocht voor beide modellen ook de invloed van een tijdsduurgebonden transportrecht (TDTR) op de haalbaarheid.
Alleen een tolling-overeenkomst in combinatie met TDTR kan in sommige gevallen in theorie een haalbare businesscase opleveren. Daarvoor is echter een zeer hoge vergoeding nodig, die volgens marktpartijen niet realistisch is. Merchant-projecten zijn volgens de analyse zowel met als zonder TDTR niet financierbaar. Tolling zonder TDTR is zelfs verlieslatend.
Succesvolle projecten bieden geen garantie voor voldoende opslag
Afzonderlijke succesvolle projecten bieden geen zekerheid dat er voldoende opslag komt, waarschuwt Schreurs in zijn toelichting aan Energeia. Een project kan bijvoorbeeld haalbaar zijn door een hoge vergoeding van een netbeheerder. Ook een leverancier of afnemer die veel waarde hecht aan de batterij, kan een project mogelijk maken. “Maar het feit dat er af en toe projecten aan het net komen, wil niet zeggen dat er genoeg opslag in het systeem komt. Onze studie laat zien dat dat niet vanzelfsprekend is”, zegt Schreurs.
Energeia noemt drie grote projecten die succesvol zijn gefinancierd: de Leopard-batterij van GIGA Storage in Delfzijl, de Sirius-batterij van Return in Winschoten en de Mufasa-batterij van Lion Storage in Vlissingen. Volgens Noa van der Valk, projectmanager Financiële Inpassing bij Energy Storage NL, hebben die allemaal een specifieke businesscase. “Je kunt dat succes niet zomaar projecteren naar de toekomst of naar andere projecten”, zegt zij.
Stijgende nettarieven zetten de financierbaarheid verder onder druk. De gesprekken met financiers vonden plaats voordat in september duidelijk werd dat de nettarieven in 2027 gemiddeld met ongeveer 20% stijgen. De businesscase stond toen al onder druk. De aangekondigde stijging vergroot dat knelpunt.
Ook projecten die nu worden gebouwd en de komende jaren in gebruik worden genomen, kunnen later in de problemen komen. Schreurs waarschuwt dat de verwachte tariefstijgingen de kosten in de periode 2032–2034 zo hoog kunnen maken dat projecten mogelijk weer van het net gaan.
Financierbare opslag als randvoorwaarde voor het energiesysteem
Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) gaat uit van sterke elektrificatie en meer wind- en zonne-energie. Om vraag en aanbod in balans te brengen, zijn meer flexibiliteit en energieopslag nodig. Het NPE koerst op 28 GW aan batterijvermogen in 2040, met een opslagcapaciteit van 110 GWh. Om die opslag te realiseren, moeten batterijprojecten ook financierbaar zijn.
ESNL roept overheid en netbeheerders daarom op tot een voorspelbaar meerjarig pad voor nettarieven. Ook vraagt de organisatie om breder beschikbare, gestandaardiseerde transport- en congestiecontracten en toegankelijke netdata. Daarnaast zijn langjarige inkomsten nodig die projecten kunnen combineren, bijvoorbeeld via congestiecontracten, flextenders en het capaciteitsmechanisme. De inzet gaat dus verder dan lagere netkosten alleen. Financiers moeten inkomsten, kosten en transportvoorwaarden kunnen doorrekenen om te beoordelen of een project rente en aflossing kan betalen.


